hebben

Vu Wiktionnaire
Wiesselen op: Navigatioun, sichen

Flag of the Netherlands.svg Hollännesch[änneren]

Conjugaisoun
Indicatif Persoun Présent Prétérit Passé composé Plus-que-parfait
ik heb had heb gedaan had gedaan
je hebt had hebt gedaan had gedaan
hij / het / zij heeft had heeft gedaan had gedaan
wij hebben hadden hebben gedaan hadden gedaan
jullie hebben hadden hebben gedaan hadden gedaan
ze hebben hadden hebben gedaan hadden gedaan
Conditionnel Présent simple Présent composé Passé
ik had had gedaan
je/ jij had had gedaan
hij / zij had had gedaan
wij hadden hadden gedaan
jullie hadden hadden gedaan
ze hadden hadden gedaan
Impératif
Eenzuel
Méizuel

Open book 01.svg Verb (or)

D'Verb hebben ass och en Hëllefsverb.

Ik heb een hond.

Ech hunn en Hond.













Sprooch-nds.gif Nidderdäitsch[änneren]

Conjugaisoun
Indicatif Persoun Présent Prétérit Passé composé Plus-que-parfait
ick heff harr heff hatt harr hatt
du hest harrst hest hatt harrst hatt
he / se / dat hett harr hett hatt harr hatt
wi hebbt harrn hebbt hatt harrn hatt
ji hebbt harrn hebbt hatt harrn hatt
se hebben harrn hebbt hatt harrn hatt
Impératif
Eenzuel
Méizuel

Open book 01.svg Verb (or)

D'Verb hebben ass och en Hëllefsverb.

Ick heff enen Hunn.

Ech hunn en Hond.